Slag Neerwinden 1693 - geschiedenis regio Landen

Heemkunde Pepijn@Landen
Geschiedenis van de regio Landen

DEZE WEBSITE IS IN OPBOUW. GELIEVE BIJGEVOLG ENIG GEDULD UIT TE OEFENEN.

Geschiedenis van de Landense regio
Ga naar de inhoud
Nieuwe tijden > Slagen Neerwinden 1693 en 1793
De Slag van 29 juli 1693

Historische achtergrond
De Spaanse Nederlanden beleefden beroerde tijden! Troepen van allerlei soort en pluimage schuimden onze streken af. Eén onder hen bleef beroemd en berucht: de hertog van Marlborough, in de volksmond Malbroek geheten.
In Frankrijk begon de oorlogszuchtige Lodewijk XIV, de Zonnekoning, over de grenzen te loeren. Als reactie hiertegen sloten de Verbondenen in 1686 de defensieve 'Liga van Augsburg'. Willem III van Oranje, Stadhouder van Holland, verenigde zich met het keizerrijk Brandenburg, de Duitse Vorsten, Spanje en Zweden. Later sloten zich hierbij ook de Paus aan, Beieren en Savoie. De oorlog begon in 1688. Lodewijk XIV zag zijn overwicht in Europa bedreigd, vooral toen zijn gunsteling Eugen von Fürstenberg, als keurvorst van Keulen door Beieren werd afgekeurd. Drie Franse legers vielen de Palts binnen en roofden en brandden alles wat hen in de weg lag. De Negenjarige Oorlog (1688-1697) was begonnen. In 1689 werd Willem III koning van Engeland door zijn huwelijk met de dochter van de Engelse koning, Margaretha van York. De verbannen koning Jacobus II vluchtte naar Ierland, beladen met de sympathie en steun van Frankrijk. Hierop verklaarde Engeland de oorlog. In september 1689 sloten alle Verbondenen de ‘Grote Alliantie van Wenen’, hierdoor wilden ze de Franse grenzen terugbrengen tot die van 1678 of nog liever 1659. Over 't algemeen behaalden de Fransen de overwinning op het slagveld, zoals te Steenkerke in 1692, Neerwinden in 1693 en Fleurus in 1694. Toch bleef de Europese coalitie sterk genoeg voor een evenwicht.
Frankrijk geraakte financieel in het slop en hun handige diplomaten wisten eens te meer een vergelijk af te dwingen. De Vrede van Rijswijk in 1697 maakte een einde aan de oorlog. Willem III werd door Frankrijk erkend als Koning van Engeland.
Terrein en weersomstandigheden
De Verbondenen, in defensieve stelling op de hoogten tussen Neerwinden en Neerlanden, keken neer op de vallei van Molenbeek en Zijpe, van waaruit de aanvallende Fransen oprukten. Deze golvende streek in het Haspengouwse betekende voor de verdedigers een zeker voordeel. Ten noorden van Rumsdorp ligt de ‘Campdelle’ (een middeleeuwse artificiële ingegraven terreinplooi?), een soort ravijn, dus een hindernis voor de aanvaller. Ook de dorpen Neerwinden, Laar, Rumsdorp en Neerlanden waren uiteraard defensief ingesteld door hun hagen en grachten, zonder dan van de aangebrachte barricades te spreken. Anderzijds had Willem III de zompige Kleine Gete in de rug, geweldig gezwollen door de onweders der laatste dagen.
De oevers van de rivier lagen glibberig. De Franse troepen, die vanuit Waremme oprukten, werden op 28 juli verrast door een hevig onweder met donder en bliksem. De schijnbare gunstige terreinkeuze door Willem III draaide door het noodlot om in een slechte keuze: het was een terrein zonder diepte, ingesloten door Molenbeek en Gete, waarover de panikerende troepen moesten vluchten over te weinig bruggen. Dit element wordt dan ook als voornaamste oorzaak der grote verliezen opgegeven.
De dag van 29 juli zelf was heet. Een ooggetuige schreef extra-ordinair heet en bangh weder.
Troepen
In Neerwinden kwamen de Fransen, oprukkend vanuit de streek van Hoei, onder leiding van maréchal de Luxembourg, de Verbondenen aanvallen, die zich verschanst hadden op de hoogten tussen Neerwinden en Neerlanden, aangevoerd door koning Willem III, Prins van Oranje. Het Franse leger telde 75.000 man, verdeeld in ongeveer 90 bataljons infanterie en 200 escadrons ruiterij. Het bevatte de meest geduchte troepen, ondermeer de befaamde infanterie ‘Maison du Roi’. Onder de generaals waren heel wat namen die in vorige veldslagen hun sporen hadden verdiend, zoals de maarschalken Joyeuse en Villeroy, de hertogen Chartres en Bourbon, Prins de Conti, zonder dan Luxembourg zelf te vergeten.  Willem III voerde het bevel over 50.000 man, ingedeeld in ongeveer 60 bataljons infanterie en 120 escadrons cavalerie. Het waren vooral Hollandse, Duitse en Engelse afdelingen, met namen als de hertog van Marlborough. De auteurs geven zeer verschillende cijfers voor beide troepenmachten. De cijfers van 75.000 tegen 50.000 zijn dan ook benaderend, maar geven in elk geval een beeld der verhoudingen.
Krijgsplannen

Het Franse plan
Na hun overwinning bij Steenkerke in 1692 hadden Lodewijk XIV en Luxembourg de verdere plannen voor de oorlog opgesteld. De koning wenste de krijgsverrichtingen uit Vlaanderen te trekken en naar Haspengouw en Brabant over te brengen. Hierin zag hij twee voordelen: vooreerst de Hollanders, Luikenaars en Duitse prinsen verontrusten door een opmars naar het Oosten, en verder een grote open ruimte zoeken waar zijn cavalerie naar alle kanten zou kunnen opereren. Luxembourg had dat programma aanvaard, maar dan onder zekere voorwaarden. Hij eiste namelijk dat het scenario stipt zou worden uitgevoerd, wat inhield dat de beloofde troepenreserves ter plaatse zouden zijn. Omdat Frankrijk over weinig reserves beschikte moest er snel gehandeld worden om zo een overwinning af te dwingen. Tegen april 1693 moest minister van oorlog Barbesieux 110.000 man klaar hebben te Doornik, in te delen in twee legers, één voor de koning, één voor Luxembourg. Men benoemde enkele nieuwe maarschalken, waaronder Boufflers, Catinat, Noailies en Villeroy.
Koning Lodewijk XIV, gevolgd door een schitterende hofhouding waaronder 27 dames, vertrok op 18 mei en gaf Luxembourg rendez-vous te Gembloers op 28 mei. De zonnekoning viel echter ziek onderweg en ontbood op 25 mei de maarschalk te Quenoy om krijgsraad te houden. Hier ontstond onenigheid tussen de twee aanvoerders; de koning wilde naar Luik oprukken, Luxembourg wilde Willem aanvallen in zijn kamp te Park-Heverlee. Op 8 juni ‘grand coup de théâtre’ te Quenoy: Lodewijk vertrok met zijn gevolg terug naar Parijs en stuurde de Dauphin met 30.000 man naar Philipsbourg, en liet Luxembourg met zijn leger van 75.000 man langs de Maas oprukken.
Een andere reden voor het vertrek van de koning moet wel in zijn ongesteldheid te zoeken zijn. Als voornaamste reden menen de meeste auteurs wel een ‘dameshistorie’ te vinden. Over madame de Maintenon werd geschreven: ‘Ses larmes l'emportèrent sur les plus puissantes raisons d'Etat, de guerre et de gloire’. Luxembourg nam op 18 juli Hoei in. Alzo gaf hij Willem de indruk naar Luik te zullen oprukken. Deze werd verontrust en zond in allerijl graaf d'Athlone naar deze stad met 20.000 soldaten. Hijzelf brak zijn kamp op te Heverlee en ging te Meldert bij Tienen kamperen. Intussen zwenkte Luxembourg noordwaarts af en sloeg zijn tenten in Vinalmont aan de Mehaigne op. Van daaruit bespioneerde hij Willem, doch oordeelde dat deze te gunstig lag om hem met succes te overvallen. Marquis de Feuquières, Luxembourgs beste bespieder, lokte wat schermutselingen uit rond Meldert, en Willem, achterdochtig en ongerust, trok verder oostwaarts. Op 27 juli sloeg Willem zijn hoofdkwartier op te Neerhespen, op de Kleine Gete. Nu besloot Luxembourg aan te vallen. In ijlmars vertrokken zijn troepen in de richting van Landen. Zijn plan bestond erin op 28 juli in de namiddag bij verrassing aan te vallen. Doch de hevige onweders der laatste dagen bezorgden hem heel wat vertraging. Zijn rechterflank ‘les Vieux Corps’ van maarschalk Villeroy hadden het privilege van eerst te mogen aanvallen, nu waren ze achteropgeraakt en de zon was al weg toen ze Landen bereikten. Hierop besloot de veldheer op 29 juli aan te vallen.

Het plan der Verbondenen
Het was dezelfde namiddag dat Willem zich te Neerhespen installeerde, dat zijn voorposten groot alarm sloegen bij het naderen der Fransen. Onmiddellijk hield hij krijgsraad, waarop de Afgevaardigden van Holland en de generaals aanwezig waren. Er waren twee voorstellen: ofwel de uitdaging aannemen en vechten, ofwel achter de Gete terugtrekken en een andere positie zoeken.
De Afgevaardigden steunden dit laatste, omdat ze in de minderheid waren. Maar Willem wilde op zijn stelling blijven. Hij oordeelde dat hij weliswaar minder cavalerie had, maar dat in de gegeven omstandigheden de ruiterij geen grote rol zou moeten spelen. Ook vreesde hij, nu de avond viel, geen ordelijke terugtocht over de Gete te kunnen uitvoeren over slechts zeven bruggen. Hierin werd hij gesteund door de Stafhouder van Beieren, die zelfs voorstelde de bruggen weg te nemen, zo zeker was hij van zijn gunstige defensieve opstelling. Nu besloot Willem zich in te graven en het gevecht af te wachten.
Terug naar de inhoud