Merovingers-Karolingers - geschiedenis regio Landen

Geschiedenis van de regio Landen
Geschied-en heemkundige kring Pepijn@Landen

DEZE WEBSITE IS IN OPBOUW. GELIEVE BIJGEVOLG ENIG GEDULD UIT TE OEFENEN.

Geschiedenis van de Landense regio
Ga naar de inhoud
Middeleeuwen I
Van Merovingers naar Karolingers
De oude administratieve indelingen van de Romeinen, die van de provincies en de civitates, verloren tijdens de Merovingische periode hun betekenis. Alleen de Kerk, als erfgename van de antieke traditie, behield ze als begrenzingen van resp. kerkprovincies en bisdommen.
 
De Frankische immigratie wijzigde volkomen de bestaande structuren. Op het grondgebied tussen de Rijn en de Noordzee ontstond eerst een aantal kleine autonome koninkrijken. Chlodovech (Clovis) slaagde erin de eenmaking te verwezenlijken. Maar de eenheid bleef kunstmatig en dreigde steeds verloren te gaan. Herhaaldelijk voor korte perioden opnieuw verwezenlijkt, begaf ze onder druk van twee antagonistische krachten en deed twee uitgebreide gebiedsdelen ontstaan, Neustrië en Austrasië.
 
Het huidige Vlaanderen vormde het meest noordelijke deel van het gebied dat van de 7de eeuw Neustrië heette en samengesteld was uit grondgebieden van Belgica Secunda. Het andere geheel, Austrasië, strekte zich uit over het gebied van de Maas tot aan de Rijn en de Moezel, en omvatte in onze gewesten de gebieden die tijdens het late keizerrijk afhingen van Germania Secunda. Ze vormden het noordoosten en het oosten van het unitaire Frankische rijk, met een overwegend Germaans, in de streken aan de rechter Rijnoever zelfs uitsluitend Germaanse bevolking.
 
Van 511 tot 555 en van 561 tot 613 vormden deze gewesten één geheel en ontwikkelden in hun strijd met de ander Frankische koninkrijken een eigen individualiteit die de bevolking uit West, Midden- en Zuid-Gallië spoedig aanvoelde. Het werkelijke zwaartepunt van dit rijk lag tussen de Beneden-Rijn en de middenloop van de Maas. In onze streken vormde Schelde de grens tussen de twee eenheden, een functie die ze tot in de 16de eeuw zouden vervullen.
 
De leden van de Austrasische aristocratie – grote landeigenaars, hoogwaardigheidsbekleders en militaire leiders -  werden zich spoedig van hun eigen status bewust. Hun aanvoerders, Pepijn I (later van Landen genoemd) en Arnulf (de latere bisschop bisschop van Metz) stamden uit twee aanzienlijke geslachten, die over uitgestrekte bezittingen beschikten tussen het Kolenwoud en de Maas, in de Maas- en de Moezelvallei en wellicht reeds in de Ardennen en de Condroz. Zij behartigden veeleer de belangen der grote aristocraten dan die van de koning of de dynastie.
 
De vereniging van deze twee clans zou de opkomst van de Karolingers bezegelen. In 687 drong Pepijn II (Pepijn van Herstal), die de hertogelijke titel voerde, in Neustrië binnen en haalde te Tertry (dep. Somme, arr. Péronne, kanton Ham) een beslissende overwinning op Bercharius, de hofmeier, en het Neustrische leger. Dit wapenfeit betekende een beslissend keerpunt in de geschiedenis van het Frankische koninkrijk: de hegemonie verschoof van het westen naar het oosten' (F. L. Ganshof).
 
Pepijn van Herstal (Pepijn II), aan het hoofd van zijn krijgers uit de Moezel-, de Maas- en de Rijnstreek, bezette een deel van Neustrië, legde de hand op Theodorik III, de schijnkoning van het westelijk rijk, liet zich tot opper-hofmeier uitroepen, maakte zich van de schatkist meester en keerde naar Austrasië terug waarheen hij het zwaartepunt van het Frankische rijk verlegde. Het overwicht ontsnapte aldus aan dat deel van het Regnum Francorum dat nochtans de oudste cultuur bezat met zijn kerken en zijn beroemde bedevaartplaatsen, zijn rijkdommen, zijn koninklijke domeinen, zijn traditionele koninklijke residenties. De sedes regni bevond zich voortaan in de Maas-, Ardennen-, Rijn- en Moezelstreek: Jupille aan de Maas, in de nabijheid van Luik, werd de geliefkoosde residentie van Pepijn; op zijn aansporing werden de abdijen van St.-Hubert in de Ardennen en van Echternach aan de Sauer, een zijrivier van de Moezel, gesticht. Pepijn ondernam ook een actie in het noorden, tegen de Friezen. In 689 overwon hij ze bij Dorestad en werd heerser over Zuid-Friesland (Frisia Citerior) tot aan de Rijn. Vanuit het castrum Utrecht liet hij de kerstening der overwonnenen ondernemen.
 
Bij de dood van Pepijn II kon men weer van voren af aan beginnen. Diegenen die hij onderworpen had staken het hoofd weer op; zonder het krachtdadige optreden van een van zijn bastaarden, Karel Martel, bijgenaamd Martellus, zoon van Alpaïs, zou zijn poging tot eenmaking op 16 december 714 tot het verleden hebben behoord. Aan het hoofd van een handvol Austrasische aristocraten overwon en onderwierp Karel de Neustriërs. In 719, bij de dood van Radbod, maakte hij zich opnieuw meester van Zuid-Friesland; hij vervolledigde zijn verovering in 733 en 734 tot aan de Lauwers en liet Friesland kerstenen. In 720, 724 en 738 ondernam hij eveneens tochten tegen de Saksen, doch blijkbaar zonder blijvend succes. De eenmaking van het Frankische rijk onder Austrasische hand kreeg deze keer een definitieve wending. Karel trad voortaan als koning op, al bleef hij zich maiordomus noemen: hij voorzag niet in de opvolging van Theodorik IV en verdeelde het rijk in 741 tussen zijn twee zonen, alsof hij koning was. De Austrasische aristocratie duldde deze inbeslagneming van de absolute macht slechts daar ze overvloedig werd bedeeld met ambten, kerkelijke waardigheden, goederen en andere bronnen van inkomsten, dat alles ten koste van de Neustrische titularissen. Bourgondië, Aquitanië, Provence en Neustrië werden aldus echte kolonisatiegebieden voor de aristocratische geslachten van de Maas-, de Moezel- en de Rijnvalleien.
 
In november 751 werd alles te Soissons beklonken met de medeplichtigheid van de paus en de aristocratie: Pepijn III (Pepijn de Korte) liet zich tot koning uitroepen en, naar het gebruik der joodse koningen uit het Oude Testament, door Bonifatius, aartsbisschop van de Frankische kerk, met gewijde olie zalven. Hij deed de laatste Meroving, Childerik III, opsluiten in de St.-Bertijnsabdij. De Romaanse gebieden van de latere Nederlanden en de naburige gewesten kwamen voortaan op de voorgrond van het Europese politieke toneel te staan: ze werden de spil van een nieuw keizerrijk. 'Zowel door hun industriële, monetaire of handelsactiviteit als door de voor die tijd belangrijke stedelijke opbloei, gaven ze de indruk een actief, coherent en stevig geheel te vormen. In dit perspectief verschijnen de verovering van de hegemonie door Austrasië en de daarmee gepaard gaande opkomst van de Karolingers als het natuurlijke politieke gevolg van een dergelijke situatie'
Terug naar de inhoud